Spot aan op het werkwoord!
Jij bent de regisseur van de woorden. Zet de werkwoorden in de verleden tijd in de spotlight!
🎚️ Kies je niveau
Het werkwoordschema
🎬 Zo pak je het aan
- Is het een persoonsvorm?
Nee → ik denk aan de regels van de categoriekaart.
Ja → ik ga verder met het werkwoordschema en gebruik de werkwoordregel. - Werkwoordregel: persoonsvorm in de verleden tijd van een zwak werkwoord = ik-vorm + te/de (ten/den).
- De ik-vorm: ik neem het hele werkwoord en haal er -en af.
- Staat de laatste letter in 't kofschip-x?
ja → ik schrijf ik-vorm + te(n)
nee → ik schrijf ik-vorm + de(n) - Eén persoon of ding (ik, jij, hij, zij, het) → -te/-de.
Meer personen (wij, jullie, zij) → -ten/-den.
De groene letters tellen: t, k, f, s, ch, p en x. De grijze o, i en - maken er alleen een woord van.
⭐ Voorbeelden
ik kletste
klets + te
De s zit in 't kofschip.
klets + te
De s zit in 't kofschip.
hij groette
groet + te
De ik-vorm eindigt al op een t, dus komen er twee t's!
groet + te
De ik-vorm eindigt al op een t, dus komen er twee t's!
wij praatten
praat + ten
Meervoud → ten. Ook hier twee t's.
praat + ten
Meervoud → ten. Ook hier twee t's.
jullie fietsten
fiets + ten
De s zit in 't kofschip, meervoud → ten.
fiets + ten
De s zit in 't kofschip, meervoud → ten.